Belangrijke uitspraak – buitenlandse ondernemingen in Nederland – verplichting tot aanstellen fiscaal vertegenwoordiger – Gerechtshof Den Haag
De centrale vraag in deze procedure betreft de bevoegdheid van Nederland om buitenlandse ondernemingen te verplichten tot het aanstellen van een fiscaal vertegenwoordiger voor bepaalde activiteiten.
Deze zaak betreft de toepassing van het Nederlandse btw-nultarief op leveringen van accijnsgoederen die zijn opgeslagen in een accijnsgoederenplaats. De Nederlandse belastingdienst weigerde het nultarief en legde naheffingsaanslagen op omdat de leverancier geen fiscaal vertegenwoordiger had aangesteld.
Het vonnis behandelt vier afzonderlijke onderwerpen, die elk afzonderlijk van groot belang zijn.
De betreffende onderneming is een besloten vennootschap (BV) opgericht naar Nederlands recht en ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. De directeur-grootaandeelhouder (DGA) was echter woonachtig in het buitenland (Spanje). De onderneming had geen werknemers in dienst.
Het Hof oordeelde dat voor btw-doeleinden de vestigingsplaats wordt bepaald door de plaats waar centrale beheersbeslissingen worden genomen. Het feit dat de onderneming een statutaire zetel in Nederland heeft, aldaar kantoorruimte huurt, vergadert en commerciële activiteiten verricht, is niet doorslaggevend.
Aangezien het centrale management van de onderneming door de DGA vanuit het buitenland werd gevoerd, oordeelde het Hof dat de onderneming voor btw-doeleinden niet in Nederland is gevestigd.
De onderneming voerde aan dat het feitelijk opereerde via de infrastructuur van een Nederlandse logistieke dienstverlener, inclusief opslagfaciliteiten en administratieve diensten.
Het Hof verwierp dit argument. Een vaste inrichting vereist een voldoende duurzame structuur met menselijke en technische middelen waarover de onderneming kan beschikken alsof het zijn eigen middelen zijn.
Alhoewel de onderneming gebruik maakte van de faciliteiten van een logistieke leverancier, bleven die middelen onder de controle en verantwoordelijkheid van die dienstverlener. De onderneming had geen eigen personeel of technische middelen in Nederland.
Het Hof concludeerde dan ook dat de onderneming niet beschikt over een vaste inrichting in Nederland.
De Nederlandse wet vereist dat buitenlandse bedrijven, zonder vaste inrichting in Nederland, een fiscaal vertegenwoordiger moeten aanstellen om het btw-nultarief toe te passen voor bepaalde transacties met accijnsgoederen.
Het Hof heeft vastgesteld dat dit vereiste in de specifieke omstandigheden van deze zaak niet verenigbaar is met het EU-recht.
Het Hof redeneerde dat:
Aangezien de onderneming gevestigd was in een land (Spanje) met dergelijke wederzijdse bijstandsregelingen met Nederland, oordeelde het Hof dat men niet kan worden verplicht een fiscaal vertegenwoordiger aan te stellen.
Het Hof behandelde ook de vraag of het niet naleven van formele vereisten het weigeren van het btw-nultarief rechtvaardigt.
Het oordeelde dat het EU-btw-recht voorrang geeft aan de Form over Substance benadering. Wanneer aan de materiële voorwaarden voor het btw-nultarief is voldaan, kan de vrijstelling niet worden geweigerd enkel omdat een onderneming niet aan bepaalde formele verplichtingen heeft voldaan.
In de onderhavige zaak had de belastingdienst voldoende bewijs dat de goederen onder het accijnsschorsingsregime in een accijnsgoederenplaats waren opgeslagen. Om die reden kan het ontbreken van een fiscaal vertegenwoordiger of bepaalde schriftelijke verklaringen het weigeren van het nultarief niet rechtvaardigen, omdat die formele vereisten geen invloed hebben op het bewijs dat aan de materiële voorwaarden is voldaan.
Het Hof oordeelde in het voordeel van belastingplichtige en:
Het is duidelijk dat de uitkomst van deze zaak grote gevolgen kan hebben voor bedrijven die zich bezighouden met de handel in accijnsgoederen, een vergunning hebben voor de verlegging van btw bij invoer of een vergunning hebben voor een btw-entrepot. Volgens het Hof zijn bedrijven niet verplicht een fiscaal vertegenwoordiger aan te stellen. Gegeven het belang van deze zaak verwachten wij echter dat de belastingdienst de zaak zal voorleggen aan de Hoge Raad. Een beslissing van de Hoge Raad zal minimaal een jaar op zich laten wachten.
Het spreekt voor zich dat wij de details van deze uitspraak graag verder met u doorspreken.
If you have any questions about this topic or if you would like to discuss the topic further, please do not hesitate to contact us at info@vatpartners.com
27-02-2026 - Btw-aftrek bij grensoverschrijdende prestaties | Recht op btw-aftrek in lidstaat van vestiging als prestaties in andere lidstaat worden verricht? | Nieuwe vragen aan het Gerecht van de Europese Unie | Zaak T-96/26 (Tellus Tax Advisory)
Read more10-10-2025 - Steeds vaker zet de sportsector moderne technologie in om fans een betere ervaring te bieden en de relatie met supporters te versterken. Denk hierbij aan het live streamen van wedstrijden, het herbeleven van hoogtepunten en het gebruik van apps. Het aanbieden van deze digitale diensten brengt belangrijke btw-vraagstukken met zich mee
Read more14-09-2025 - De belastingautoriteiten van de lidstaten worden in toenemende mate geconfronteerd met fraudegevallen en situaties waarin geen btw wordt afgedragen, bijvoorbeeld als gevolg van liquiditeitsproblemen In het afgelopen decennium is er dan ook een duidelijke stijging waarneembaar in het aantal zaken met betrekking tot aansprakelijkstelling voor de btw, evenals in het aantal btw-fraudezaken.
Read more07-09-2025 - Btw en Transfer Pricing. Ogenschijnlijk twee onderwerpen die niets met elkaar te maken hebben. Dit is ook decennialang zo toegepast in de praktijk. Een discussie over de correlatie van deze twee onderwerpen is wel al een tijd in de maak. Kernvraag is, hebben correcties op basis van Transfer Pricing regels invloed op de btw?
Read more