Verplichting tot aanstellen fiscaal vertegenwoordiger

04-03-2026 -

Belangrijke uitspraak – buitenlandse ondernemingen in Nederland – verplichting tot aanstellen fiscaal vertegenwoordiger – Gerechtshof Den Haag

De centrale vraag in deze procedure betreft de bevoegdheid van Nederland om buitenlandse ondernemingen te verplichten tot het aanstellen van een fiscaal vertegenwoordiger voor bepaalde activiteiten.

Deze zaak betreft de toepassing van het Nederlandse btw-nultarief op leveringen van accijnsgoederen die zijn opgeslagen in een accijnsgoederenplaats. De Nederlandse belastingdienst weigerde het nultarief en legde naheffingsaanslagen op omdat de leverancier geen fiscaal vertegenwoordiger had aangesteld. 

Het vonnis behandelt vier afzonderlijke onderwerpen, die elk afzonderlijk van groot belang zijn.

1. Is de onderneming in Nederland gevestigd?

De betreffende onderneming is een besloten vennootschap (BV) opgericht naar Nederlands recht en ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. De directeur-grootaandeelhouder (DGA) was echter woonachtig in het buitenland (Spanje). De onderneming had geen werknemers in dienst.

Het Hof oordeelde dat voor btw-doeleinden de vestigingsplaats wordt bepaald door de plaats waar centrale beheersbeslissingen worden genomen. Het feit dat de onderneming een statutaire zetel in Nederland heeft, aldaar kantoorruimte huurt, vergadert en commerciële activiteiten verricht, is niet doorslaggevend.
Aangezien het centrale management van de onderneming door de DGA vanuit het buitenland werd gevoerd, oordeelde het Hof dat de onderneming voor btw-doeleinden niet in Nederland is gevestigd.

2. Heeft de onderneming een vaste vestiging in Nederland?

De onderneming voerde aan dat het feitelijk opereerde via de infrastructuur van een Nederlandse logistieke dienstverlener, inclusief opslagfaciliteiten en administratieve diensten.
Het Hof verwierp dit argument. Een vaste inrichting vereist een voldoende duurzame structuur met menselijke en technische middelen waarover de onderneming kan beschikken alsof het zijn eigen middelen zijn.
Alhoewel de onderneming gebruik maakte van de faciliteiten van een logistieke leverancier, bleven die middelen onder de controle en verantwoordelijkheid van die dienstverlener. De onderneming had geen eigen personeel of technische middelen in Nederland.
Het Hof concludeerde dan ook dat de onderneming niet beschikt over een vaste inrichting in Nederland.

3. Mag Nederland een fiscaal vertegenwoordiger verplicht stellen?

De Nederlandse wet vereist dat buitenlandse bedrijven, zonder vaste inrichting in Nederland, een fiscaal vertegenwoordiger moeten aanstellen om het btw-nultarief toe te passen voor bepaalde transacties met accijnsgoederen.
Het Hof heeft vastgesteld dat dit vereiste in de specifieke omstandigheden van deze zaak niet verenigbaar is met het EU-recht.

Het Hof redeneerde dat:

  • de verplichting behandelt buitenlandse bedrijven minder gunstig dan in Nederland gevestigde bedrijven
  • het daarom een discriminerende maatregel vormt op basis van de vestigingsplaats
  • dergelijke discriminatie kan niet worden gerechtvaardigd wanneer een beroep kan worden gedaan op wederzijdse bijstand met andere landen voor wat betreft de inning van omzetbelasting

Aangezien de onderneming gevestigd was in een land (Spanje) met dergelijke wederzijdse bijstandsregelingen met Nederland, oordeelde het Hof dat men niet kan worden verplicht een fiscaal vertegenwoordiger aan te stellen.

4. Substance over form

Het Hof behandelde ook de vraag of het niet naleven van formele vereisten het weigeren van het btw-nultarief rechtvaardigt.
Het oordeelde dat het EU-btw-recht voorrang geeft aan de Form over Substance benadering. Wanneer aan de materiële voorwaarden voor het btw-nultarief is voldaan, kan de vrijstelling niet worden geweigerd enkel omdat een onderneming niet aan bepaalde formele verplichtingen heeft voldaan.
In de onderhavige zaak had de belastingdienst voldoende bewijs dat de goederen onder het accijnsschorsingsregime in een accijnsgoederenplaats waren opgeslagen. Om die reden kan het ontbreken van een fiscaal vertegenwoordiger of bepaalde schriftelijke verklaringen het weigeren van het nultarief niet rechtvaardigen, omdat die formele vereisten geen invloed hebben op het bewijs dat aan de materiële voorwaarden is voldaan.

5. Uitkomst van de zaak

Het Hof oordeelde in het voordeel van belastingplichtige en:

  • heeft de aanslagen vernietigd
  • bevestigde dat het nultarief van toepassing is
  • stelt dat Nederland het aanstellen van een fiscaal vertegenwoordiger niet kan verplichten

Het is duidelijk dat de uitkomst van deze zaak grote gevolgen kan hebben voor bedrijven die zich bezighouden met de handel in accijnsgoederen, een vergunning hebben voor de verlegging van btw bij invoer of een vergunning hebben voor een btw-entrepot. Volgens het Hof zijn bedrijven niet verplicht een fiscaal vertegenwoordiger aan te stellen. Gegeven het belang van deze zaak verwachten wij echter dat de belastingdienst de zaak zal voorleggen aan de Hoge Raad. Een beslissing van de Hoge Raad zal minimaal een jaar op zich laten wachten.

Het spreekt voor zich dat wij de details van deze uitspraak graag verder met u doorspreken.  



logo element

If you have any questions about this topic or if you would like to discuss the topic further, please do not hesitate to contact us at info@vatpartners.com